ARTIKEL 9 Postwet
Art. 9. - 1. Onze minister stelt ter bevordering van de aflevering aan geadresseerden van voor hen bestemde postzendingen regels omtrent plaats, afmetingen en andere hoedanigheden van de voor die aflevering bestemde brievenbussen. (zie: Besluit brievenbussen, staatscourant 1988, 252)
Art. 9. - 2. postzendingen die naar hun aard en omvang in aanmerking komen voor aflevering in een brievenbus als in het eerste lid bedoeld, kunnen als onbestelbaar worden aangemerkt indien het opgegeven adres niet beschikt over een brievenbus die aan de in het eerste lid gestelde regels voldoet.

Besluit Brievenbussen
Besluit van 12 december 1988, Staatscourant 252, van de minister van Verkeer en Waterstaat.
Art.1.1. Brievenbussen bestemd voor de aflevering van postzendingen behoren te zijn aangebracht zo dicht mogelijk bij de rijbaan van een voor motorrijtuigen op meer dan twee wielen berijdbare openbare weg. Ze dienen van de weg zonder belemmering bereikbaar te zijn.
Art.1.2. Met een openbare weg als bedoeld in het vorige lid wordt gelijk gesteld een weg die:

  • a. gedurende het gehele jaar onbelemmerd kan worden bereden door een motorvoertuig op meer dan twee wielen met een snelheid van tenminste 40 km per uur,
  • b. geen doodlopende weg is en
  • c. de gelegenheid biedt de bestelroute zonder omwegen te vervolgen.
    Art.1.3. Aan of nabij de brievenbussen behoort door een nummer op duidelijke wijze te zijn aangegeven, bij welke woning, gebouw of gedeelte daarvan zij behoren.
    Art.1.4. Brievenbussen in of aan gebouwen of woningen voldoen aan de het eerste lid gestelde voorwaarde, indien zij zich niet meer dan 10 meter gaans bevinden van de grens van een aldaar omschreven weg, waaronder mede worden verstaan de daartoe behorende trottoirs, paden, bermen en taluds.
    Art.1.5. De in het eerste lid gestelde voorwaarde is niet van toepassing op groepsgewijs geplaatste brievenbussen, die:
  • a. ten dienste van galerijflats zijn geplaatst op rechtsstreeks met een lift bereikbare niveaus van die flat, mits de bussen ten dienste van alle op één niveau aanwezige en vanuit één en dezelfde lift bereikbare woningen zich in de onmiddelijke nabijheid van de lift bevinden, dan wel
·  b. ten dienste van alle overige collectieve gebouwen zo dicht mogelijk bij de ingang van dat gebouw zijn aangebracht.
Art.1.6. Brievenbussen ten dienste van geadresseerden die op recreatieterreinen verblijven, dienen groepsgewijs bij de ingang van het terrein te worden geplaatst. Bij gebreke hiervan kunnen postzendingen door of namens de terreinbeheerder in ontvangst worden genomen of door de geadresseerden op een daartoe door de houder van de consessie aan te wijzen postinrichting worden afgehaald.
Art.1.7. Behalve in gevallen bedoeld in het vijfde lid onder a dient het niveau waarop de brievenbussen worden bediend, te zijn gelegen op niet meer dan 2,5 meter boven of beneden het wegdek.
Art.2.1. De vorm en de kleur van brievenbussen moeten zodanig zijn, dat verwarring met voor het publiek bestemde brievenbussen van de houder van de consessie niet mogelijk is.
Art.2.2. De brievengleuf dient horizontaal of in het bovenvlak van de brievenbus te zijn aangebracht en dient zich bij voorkeur te bevinden 1,1 meter boven het niveau, waarop de brievenbus wordt bediend, maar in geen geval lager dan 0,6 meter dan wel hoger dan 1,8 meter.
Art.2.3. De afmetingen van de vrije inworpopening dienen in de lengte ten minste 265 mm te bedragen en in de breedte 32 mm.
Art.2.4. De inworpopening dient zo te zijn uitgevoerd, dat het bedienen van de brievenbus zonder gevaar voor verwondingen kan geschieden.
Art.2.5. Indien zich achter de inwerpgleuf een ruimte bevindt, bestemd voor de bewaring van postzendingen, dan dient de inwendige bruikbare breedte tenminste 270 mm te bedragen en de twee andere inwendige bruikbare afmetingen ten minste 150 en 380 mm.
Art.3. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1989.
Art.5. Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit brievenbussen.

Wij slaan cookies op om onze website te verbeteren. Is dat akkoord? Ja Nee Meer over cookies »